logo dijkgraaf advocaten

Belangrijke termen en begrippen

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs (WHW)

De WHW is een wet van 8 oktober 1992 waarin het toezicht op het hoger onderwijs (universitair en hoger beroepsonderwijs) is geregeld. De rechten en plichten van zowel de onderwijsinstellingen als studenten zijn in de WHW opgenomen. Besluiten afkomstig van het College van Bestuur en de examencommissie vinden hun basis in de WHW.

Negatief bindend studieadvies / bindend afwijzend studieadvies

Aan het einde van het eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale bacheloropleiding kan de onderwijsinstelling een bindend advies uitbrengen over de voortzetting van de studie binnen of buiten de bacheloropleiding. Indien de student niet het benodigde aantal studiepunten heeft behaald, kan de onderwijsinstelling besluiten dat de student zijn studie niet voort mag zetten.  Dit advies wordt het negatief bindend studieadvies (NBSA) of bindend afwijzend studieadvies (BSA) genoemd. Een uit- of afstel van dit advies is in sommige gevallen mogelijk, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden.

Iudicium Abeundi

Indien een student vanwege zijn gedragingen of uitlatingen ongeschikt wordt geacht voor zijn opleiding, kan de onderwijsinstelling besluiten dat hij zijn studie dient te staken. Er moet dan wel sprake zijn van ernstig grensoverschrijdend gedrag. Alvorens een dergelijk besluit wordt genomen, wordt de student in de gelegenheid gesteld zich te verweren. Het besluit leidt tot uitschrijving van de opleiding en (her)inschrijving voor de opleiding bij dezelfde of een andere onderwijsinstelling is niet mogelijk.

Bezwaartermijn / beroepstermijn

Tegen besluiten van het College van Bestuur of de examencommissie staat bezwaar dan wel beroep open. De bezwaar- of beroepstermijn bedraagt zes weken. Dit is een fatale termijn, wat betekent dat het overschrijden van die termijn tot niet-ontvankelijkheid leidt. Er hoeft dan niet meer op het bezwaar of beroep te worden beslist en het besluit staat in rechte vast. Het is dus zeer belangrijk de termijnen goed in acht te nemen.

Minnelijke schikking

Als een student tegen een besluit in bezwaar of beroep gaat, dient door het behandelend orgaan (de geschillenadviescommissie of het College van Beroep voor de Examens) te worden onderzocht of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is. Je bekijkt dan samen met de wederpartij of je niet alsnog tot een oplossing kunt komen. De minnelijke schikking vindt zijn grondslag in de WHW. In sommige gevallen geniet het treffen van een schikking de voorkeur boven procederen. Dit is vooral zo in gevallen waarin het besluit op de juiste gronden lijkt te zijn genomen, zodat de kans op succes in een procedure gering is.

Voorlopige voorziening

In spoedeisende gevallen kan het doorlopen van een procedure bij de geschillenadviescommissie of het CBE te veel tijd in beslag nemen. In dat geval kan om een voorlopige voorziening worden gevraagd. Aan het behandelend orgaan (het CBE of het CBHO) wordt dan gevraagd om nog tijdens de procedure in een voorlopige oplossing te voorzien. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal slechts worden toegewezen indien er een grote kans aanwezig is dat de student in de bezwaar- of beroepsprocedure in het gelijk zal worden gesteld.

Verzoek aan de examencommissie

Indien de student een voorziening van de examencommissie verlangt, kan daartoe een verzoek worden ingediend. Zo kan bijvoorbeeld worden gevraagd om een extra tentamenkans, een voorziening tijdens een tentamen in verband met dyslexie of een verlenging van de geldigheidsduur van behaalde cijfers. Met het indienen van een verzoek wordt de examencommissie gevraagd een besluit te nemen. Luidt dit besluit afwijzend, dan kan beroep worden ingesteld bij het CBE.

Persoonlijke omstandigheden

Persoonlijke omstandigheden kunnen rechtvaardigen dat een uitstel van het bindend studieadvies wordt verleend of dat een verzoek om een voorziening wordt toegewezen. De persoonlijke omstandigheden zijn limitatief opgesomd in het Uitvoeringsbesluit WHW 2008. In artikel 2.1 van het uitvoeringsbesluit zijn de volgende omstandigheden opgenomen:

Profileringsfonds

Het profileringsfonds is een voorziening waar een studente een beroep op kan doen indien hij financiele ondersteuning wenst. Die financiële ondersteuning kan bijvoorbeeld worden geboden indien er sprake is van een studiehandicap of overmacht, als gevolg waarvan de student niet binnen de reguliere periode kan afstuderen. De voorziening wordt toegekend door het College van Bestuur. Zo nodig kan bij een negatief besluit (na het doorlopen van de procedure bij de geschillenadviescommissie) beroep worden ingesteld bij het CBHO.

Studentenstatuut

Het College van Bestuur van een onderwijsinstelling stelt een studentenstatuut op, waarin de rechten en plichten van ingeschreven studenten worden beschreven. Daarbij moet gedacht worden aan zaken als een overzicht van geldende regelingen, een toelichting op de mogelijke procedures bij geschillen, de opzet en organisatie van de opleiding of de voor studenten beschikbare faciliteiten. Een studentenstatuut bestaat uit 2 delen: een algemeen deel en een opleidingsspecifiek deel. Het algemene deel ziet op de rechten en plichten van alle studenten van de instelling. Het opleidingsspecifiek deel beschrijft de gang van zaken binnen een bepaalde opleiding. In ieder geval behoort ook de OER hiertoe.

Onderwijs- en examenregeling (OER)

In de Onderwijs- en examenregeling (de OER) worden per opleiding of groep van opleidingen de geldende procedures en rechten en plichten vastgelegd met betrekking tot het onderwijs en de examens. In de OER wordt de inhoud van de opleiding beschreven. Daarnaast bevat de OER onder meer informatie over de wijze van tentaminering en de geldigheidsduur van cijfers. De examencommissie dient zich bij het nemen van besluiten aan de OER te houden. Is een student het niet eens met een besluit van de examencommissie, dan staat daartegen beroep open.