logo dijkgraaf advocaten

CBHO geeft oordeel over geldigheidsduur cijfers

Op 24 april 2014 heeft het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO) uitspraak gedaan in een zaak die door een student was aangespannen tegen Hogeschool Inholland.
De student neemt deel aan de veelbesproken opleiding Media en Entertainment Management (MEM) en omdat zijn cijfers komen te vervallen, heeft hij een verzoek om verlenging van de geldigheidsduur ingediend. In de Onderwijs- en examenregeling is een geldigheidsduur van vijf jaar opgenomen.

Het verzoek van de student wordt afgewezen onder verwijzing naar een vervaltabel. In die tabel is een geldigheidsduur van vijf jaar opgenomen en verlenging van die geldigheidsduur is onder geen beding mogelijk. Ook niet als de student een beroep doet op persoonlijke omstandigheden of vertraging door toedoen van de onderwijsinstelling. De student kan zich niet met de afwijzing verenigen en komt hiertegen in beroep bij het College van Beroep voor de Examens. Het beroep wordt ongegrond verklaard, doch bij het CBHO wordt de student alsnog in het gelijk gesteld. Het CBHO oordeelt als volgt:

“(..) Het College acht het Beleid met de daarin opgenomen vervaltabel, gegeven het belang waarmee die vervaltabel is vastgesteld, namelijk de relevantie van het onderwijsprogramma, op zichzelf niet onredelijk. Evenwel mag zo’n tabel niet op voorhand iedere verlenging uitsluiten. Het College stelt vast dat artikel 32, vijfde lid, van de OER 2012-2013 een verlenging met één jaar niet uitsluit. De Examencommissie en het CBE hebben dat ten onrechte niet onderkend. Derhalve hadden de persoonlijke omstandigheden van appellant moet worden meegenomen. Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat hij wegens persoonlijke familieomstandigheden een studievertraging heeft opgelopen in de periode tussen maart 2007 en december 2009 en in het jaar 2010, hetgeen wordt bevestigd in een e mail van 29 oktober 2013 van de studentendecaan. Appellant heeft verder aannemelijk gemaakt, hetgeen eveneens in voormelde e-mail is bevestigd, dat hij een niet aan hem te wijten studievertraging heeft opgelopen, omdat hij tijdens zijn afstudeertraject vanaf 2010 noodgedwongen meerdere keren van afstudeerbegeleider is gewisseld. Het CBE heeft dit ter zitting van het College niet betwist. Het CBE heeft voorts ter zitting verklaard dat het onder omstandigheden mogelijk is een hersteltraject aan de student aan te bieden. Uit de gedingstukken volgt verder niet, dat de Examencommissie, zoals appellant betoogt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.32, zesde lid, van de OER in overleg is getreden met het studentendecanaat. Onder die bijzondere omstandigheden, die de Examencommissie bij haar oordeel had moeten betrekken, heeft zij niet rauwelijks tot afwijzing van het verzoek van appellant mogen overgaan. (..)”

De uitspraak van het CBHO schept meer duidelijkheid over de geldigheidsduur en toont aan dat er, zelfs bij in de OER vastgelegde termijnen, een belangenafweging dient plaats te vinden.

Bron: CBHO 24 april 2014, nummer 2013/218