logo dijkgraaf advocaten

Hogeschool hanteert onjuiste toelatingseisen

Een student schrijft zich in aan de Hogeschool Amsterdam voor de opleiding Bedrijfseconomie.
Omdat hij niet in het bezit is van een Havo-diploma, dient hij een toelatingsexamen (21+) af te leggen.
Onderdeel van dit examen is het vak Engels. Aangezien hij een Havo-certificaat met een 6 voor Engels bezit, wordt een vrijstelling verleend.

Voordat de opleiding aanvangt besluit de student te switchen van opleiding. Hij wil deelnemen aan de internationale opleiding IBMS. Gelet op een mededeling van de studentenadministratie gaat de student ervan uit tot die opleiding te kunnen worden toegelaten. Zodra het schooljaar is aangevangen blijkt echter dat de hogeschool als toelatingseis een 7 voor Engels op Havo-niveau stelt. Heeft de student geen 7, dan dient hij het benodigde niveau met een internationaal erkende IELTS of TOEFL toets aan te tonen. De student heeft zo’n toets niet afgelegd omdat hij in de veronderstelling verkeerde aan de voorwaarden te voldoen.

Aangezien de student niet aan de voorwaarden voldoet, wordt hij uitgeschreven. Hiermee is de student het niet eens. Hij stelt bezwaar in bij het College van Bestuur. De geschillenadviescommissie adviseert het College dit bezwaar ongegrond te verklaren en dit advies wordt overgenomen.

De student gaat vervolgens in beroep bij het CBHO. Hij voert aan dat aan hem onredelijke eisen worden gesteld aangezien de student met een Havo-diploma zelfs met een onvoldoende voor Engels tot de opleiding IBMS kan worden toegelaten. Daarnaast volgt uit de onderwijs- en examenregeling niet dat een 7 voor Engels benodigd is voor toelating tot de opleiding.

Het beroep van de student wordt gegrond verklaard en het CBHO oordeelt dat het College van Bestuur zich opnieuw over de zaak moet buigen. Ondertussen dient de hogeschool de student te behandelen als ware hij ingeschreven voor de opleiding.

Bron: CBHO 4 maart 2015, nummer 2014/283